De hulporganisatie Winterhulp werd opgericht op 29 oktober 1940 door een besluit van het Comité van de secretarissen-generaal met goedkeuring van de Duitse bezetter. De naam werd gekozen naar analogie met het Zwitserse ‘Winterhilfe – Secours d’Hiver’. Ook in Nederland en Duitsland waren dergelijke organisaties actief. Winterhulp deelde voedsel uit zoals onder meer soep, melk en vitaminen maar ook kledingstukken en kolen werden verstrekt aan de behoeftige bevolking. De middelen werden verkregen door giften maar ook door bijdragen van de Koloniale loterij, de hoofdsponsor, en de verkoop van postzegels met toeslag, van lucifers, etc. Koning Leopold III en kardinaal Van Roey stortten elk 25.000 frank. Gedurende de oorlogsjaren verdween stilaan het wantrouwen tegen deze Duitse organisatie en werd deze meer als Belgisch ervaren. Toch werd de organisatie Winterhulp na het beëindigen van de oorlog ontbonden omdat ze onder Duitse vleugels was opgericht. Het embleem van Winterhulp was Sint Martinus die als Romeins soldaat de helft van zijn mantel wegschonk aan een bedelaar. Winterhulp deelde in 1942 goederen en voedsel uit na de fabrieksramp in Tessenderlo van 29 april.

Lucifers

Lucifers werden verkocht, ten bate van Winterhulp,  met de afbeelding van Sint Martinus van de gemeenten: Beek, Wasmes-Audemez-Briffœil, Ganshoren en Sint-Martens-Lennik. De lucifers werden gemaakt door het bedrijf Union Allumettière S.A. uit Brussel.