Uitbaggering van de Demer

Het stadsbestuur van Diest heeft pal in het centrum van Diest de Demer, die in het verleden werd dichtgegooid, opnieuw laten openmaken. Een mooi initiatief, want water brengt leven in de stad. Ook de prehistorische mens zocht plekken op waar dichtbij water voorhanden was. Het uitdiepen van de Demer gebeurde met een kraan en een vrachtwagen. Zoveel als mogelijk werden de uitgebaggerde materialen gescheiden: aarde, puin, hout, beton,… en op hopen gegooid in de buurt van het Algemeen Ziekenhuis Diest waar een braakliggend terrein die mogelijkheid bood. Na een fikse regenbui wordt dan deels goed zichtbaar wat er eigenlijk uitgebaggerd werd. Zalfpotjes, scherven uit diverse perioden, bierflessen, beenderen, … kortom al wat de mens in vroegere tijden weggooide en/of verloor. Dergelijke hopen zijn een eldorado voor de amateur-archeoloog. Archeologen zijn niet geïnteresseerd omdat de grond niet meer in situ ligt en archeologisch onderzoek zinloos is. Toch biedt zo’n gelegenheid de kans om interessante historische vondsten te doen. Bij een inspectie van de hopen vond één van de Testaleden zelfs een gepolijst stenen bijl dat zomaar open en bloot op zo’n hoop lag!

PPV 00341

De bijl is over het ganse oppervlak gepolijst en is gemaakt van een grofkorrelige grijze vuursteen waarin grote beige increties zitten. Op verschillende plaatsen zijn ook bruinrode plekken aanwezig. Deze plekken zijn niet het resultaat van patinering. Minstens op één plaats werd zo’n donkerrode plek door het polijsten deels verwijderd. De bruinrode verkleuring is dus een karakteristiek van de vuursteen. Iedere vuursteensoort heeft eigen karakteristieken. Het vergt wat ervaring om de soorten silex uit elkaar te houden. Een vuursteen, die al deze kenmerken vertoont, is die van Orp-le-Grand. Vermoedelijk werd de bijl als halffabrikaat daar door mijnbouw uit de bodem gehaald. Het bestuderen van een slijpplaatje zou dit kunnen bevestigen. Orp-le-Grand is een plaats die, in vogelvlucht, op een kleine 40 km van Diest ligt. De bijl heeft een lensvormige doorsnede. Vanaf de snede blijft het bijllichaam even breed tot minstens in de helft van de lengte. Daarna versmalt de bijl naar de staart toe die voor een deel is afgebroken. Dit gebeurde recent omdat op de breuklijnen geen patina aanwezig is. Ook de snede is over de ganse lengte beschadigd, ook dit gebeurde recent. Vermoedelijk zijn de beschadigingen ontstaan door het gebruik van de sorteermachines waarbij de staart en de snede van de bijl de gevoeligste delen zijn. Ook bijlen die gevonden worden op akkers vertonen dikwijls deze kenmerken. De boorden zijn afgerond maar ter hoogte van de snede lichtjes gefacetteerd. De littekens in de omgeving van de boorden zijn geen beschadigingen maar overblijfsels van de bewerking tot halffabrikaat. De afmetingen: 158 x 49,3 x 33 mm. In ieder geval werd dit prehistorisch en belangrijk historisch artefact van de ondergang (verpulvering?) gered.

Om bomen te hakken

De eerste ‘Belgische’ landbouwers hadden nood aan stevig gerief om het oerbos om te hakken zodat er plaats was voor hun akkers. Het omhakken van de bomen gebeurde met stenen bijlen. Vuursteen was zeer geschikt voor dit doel en goede vuursteen kon dichtbij op verschillende plaatsen gewonnen worden, al moest men er wel moeite voor doen. De prehistorische mens wist al door overlevering dat er geschikte vuursteen in de bodem zat in gebieden waar krijtlagen dagzoomden. Dit was bijvoorbeeld het geval in Rijckholt (Nederlands Limburg) en in de Voerstreek maar ook in Spiennes en in Orp-le-Grand. Op deze plaatsen werden door de prehistorische mens mijnen aangelegd waarbij door middel van gangen de grondstof werd bovengehaald. Bovengronds werd de vuursteen ruw bekapt tot een halffabrikaat. Na verhandeling, door ruiling van goederen, werd dit artefact door de eigenaar gepolijst en geslepen, wat zo’n 8 uur in beslag nam. Op die manier werden duizenden gepolijste bijlen verhandeld.