Het oude boekje is een notaboekje van ongeveer 180 ongenummerde bladzijden waarin de geïnde belastingen van vee en landbouwgrond van het jaar 1774 werden bijgehouden voor het centrum, in die tijd ‘plaetse’ genoemd, van Tessenderlo door Martinus Celen ‘borgemeester’, een belastingontvanger. In ieder gehucht was er een borgemeester die het belastingsgeld ophaalde en overmaakte aan de overheid. Nadien werd het boekje gebruikt door nabestaanden van de borgemeester voor het noteren van persoonlijke huur/verhuur en koop/verkoop van onroerende goederen, zelfs voor erfenisverdelingen. Ook worden in het boekje geboortes, huwelijken en sterfgevallen binnen de familie genoteerd. Interessant zijn vooral de aantekeningen in verband met het dagelijkse leven in Tessenderlo zoals de uitzonderlijke weersomstandigheden en de troepenbewegingen. Bijzonder is de beschrijving van het afbranden van de huizen aan de westzijde van het marktplein. De geschreven tekst heeft een dialectisch karakter: ‘holen’ zijn klompen, ‘sloor’ is koolzaad, ‘kijren’ zijn karren, ‘peijrt’ is paard, ‘midienen’ is meteen, ‘taus’ is thuis,… Hoofdletters, komma’s en punten werden niet gebruikt. Het boekje heeft een kartonnen omslag die waarschijnlijk met leder werd bekleed. De afmetingen zijn 18 x 14 x 2 cm.

In het boekje werden eerst de eigenaars van vee genoteerd en vervolgens de eigenaars van landbouwgrond. Steeds wordt de naam gevolgd door het te betalen bedrag met drie getallen. Het eerste getal is in gulden, het tweede in stuivers en het derde in oorden. 1 gulden is 20 stuivers en 1 stuiver is 4 oorden waard. Uit de berekeningen kunnen we vaststellen dat het belastingsgeld voor een os en een stier, zoals voor een koe, eveneens 10 stuivers bedraagt , voor een vaars (veersse) en een rund (rint) daarentegen was de belasting slechts 5 stuivers.

Gedurende drie jaar deed Martinus 7 stortingen, de eerste op 7 februari 1777 en de laatste op 14 september 1779, in totaal 484 gulden, 7 stuivers en 1 oord. De eindafrekening werd afgesloten op 8 oktober 1779. In die periode werden verschillende munteenheden door elkaar gebruikt. Zo wordt in het notaboekje naast de gulden, stuiver en oord ook gerekend met ‘fransche’ en ‘brabansche’ kronen (kroonen, croonen, croenen), patakons, schellingen en plaketten.