Tussen Oostende en Knokke wordt het door de zee weggespoelde strandzand regelmatig opnieuw aangevoerd. Dit gebeurt door het opspuiten van het zeezand voor de kust. Het is al jaren bekend dat in dit opgespoten zand nogal wat fossielen zitten. De meest bekende vondsten zijn de haaientanden uit het eoceen, een tijdperk tussen 56 en 34 miljoen jaar geleden. Het zoeken naar deze haaientanden is een toeristische sport geworden in deze regio. Toch zal de aandachtige en geduldige zoeker nog andere fossielen kunnen ontdekken. Zo liggen er op het strand ook viswervels, roggetanden en allerlei beenderfragmenten van vissen en zoogdieren uit diverse perioden. Met zoogdieren bedoelen we niet alleen zeezoogdieren maar ook landzoogdieren. Deze zoogdieren leefden in Doggerland.

Doggerland

Doggerland ontstond in het pleistoceen en verdween op het einde van het mesolithicum tussen 6500 en 6000 voor Christus onder water. Engeland was toen een schiereiland van Europa samen met een groot deel van de Noordzee. Op dit land leefden mammoeten, neushoorns en allerlei andere dieren. In het paleolithicum waren deze dieren de prooi van de mens. Ook de neanderthaler was van de partij. In de Noordzee werden al heel wat vuistbijlen gevonden. Dagelijks halen vissers een aantal dierenbeenderen, waaronder volledige schedels, in hun netten op. Later, toen deze grote zoogdieren verdwenen (uitgeroeid) waren, kon de mesolitische mens in Doggerland enkel op het wild jagen dat we nu nog kennen. Deze mesolithische mens kreeg het hard te verduren in Doggerland. Een tsunami met golven van ongeveer 5 meter hoog spoelde gans Doggerland weg met man en muis, of liever gezegd met man en mol.

Humerus

Op het strand werd een fossiele humerus van een mol gevonden. Een humerus is een opperarmbeen. Bij mollen heeft dit opperarmbeen een specifieke vorm door de graaffunctie van de ledematen. Er bestaan verschillende soorten mollen en er zijn ook fossiele mollen gevonden. De meeste van deze fossiele exemplaren zijn uitgestorven. Door het lange verblijf in de kleibodem werd het oorspronkelijk witte beentje zwart gekleurd. Door de blootstelling aan wind, water en zand is de humerus gepolijst en zijn sommige delen weggesleten. Toch verkeert de gevonden humerus, die afkomstig is van de rechtervoorpoot, nog in een relatief goede staat. De hoogte is 13,3, de breedte 11,4 en de dikte 4,5 mm. In het midden is de humerus 3,8 mm breed.

Mogelijk was deze mol de prooi van een mesolitisch kind of misschien zelfs van een neanderthaler, maar dit is pure fantasie.