Kamerpotten zijn bekend vanaf de 14de eeuw. Van de 14de tot de 16de eeuw waren het meestal vrij eenvoudige, meestal onversierde aardewerkpotten met één verticaal oor, een sterk uitstaande rand en een min of meer bolronde vorm. Ze werden in deze periode gemaakt van grijs- en roodbakkend aardewerk. De potten moesten stabiel staan zodat de bodem meestal vlak was. De vorm veranderde weinig gedurende de volgende eeuwen. De oudere generatie herinnert zich ongetwijfeld nog de wit geëmailleerde metalen of de mooi versierde pispotten gemaakt van faience fine uit de 19de en begin 20ste eeuw die door de grootouders gebruikt werden. Ik herinner me nog familieleden die de inhoud gewoon uit het raam kieperden, wat vroeger ongetwijfeld vaak gebeurde.

Kamerpot

Wat onmiddellijk opvalt aan deze kamerpot is het schaarse gebruik van glazuur. Op de binnenzijde is enkel glazuur aanwezig op de bodem en iets hoger en langs de buitenzijde werd op de schouder aan de andere zijde van het oor een beperkt vlak geglazuurd, mogelijk gebeurde dit laatste als versiering (?) en ook de rand werd volledig geglazuurd. Op roodbakkend aardewerk wordt normaal aan de binnenzijde glazuur aangebracht om het geheel ‘waterdicht’ te maken en geurtjes te vermijden maar dit is hier niet gebeurd. Er zijn ook geen ‘kalksporen’ zichtbaar wat doet vermoeden dat de pispot niet lang in gebruik is geweest en kort na de aankoop in stukken brak. Het gebruikte loodglazuur is groenachtig bruin van kleur met donkere spikkels. De vlakke rand is haaks naar buiten geplooid met een lichte dekselgeul voor een mogelijk houten deksel, maar dit is niet zeker. De geknepen standring, uitzonderlijk voor pispotten, heeft een diameter van 115 mm. Het worstvormig maar deels afgeplat oor, dat op de rand werd vastgehecht, staat min of meer haaks op de pot.

Afmetingen: de diameter is 185, de opening 145 en de hoogte 145 met oor 150 mm.