In 1993 werd tijdens het archeologisch onderzoek van het Hof van Goor te Tessenderlo in het onderste niveau van sleuf 4, dicht bij de oorspronkelijke gracht, een klein ijzeren schopje gevonden. De voorzijde en de linkerzijde van het schopje zijn beschadigd. Het restant is nog 14 cm lang. De holle steelhouder heeft een diameter van 22 mm en is goed bewaard. Omdat de rechterrand intact is, kan de oorspronkelijke breedte gemakkelijk berekend worden: 6 cm. De steel heeft een hoek van 15° ten opzichte van het schopje. Toen het kleine schopje gevonden werd, was de oorspronkelijke functie ervan niet gekend. Het werd in 1997 beschreven en getekend door mezelf in het tijdschrift Archaeologia Regionis van Testa vzw. Met de nodige voorzichtigheid werd het gedetermineerd als tuinschopje. Een recent bericht op de website van CAG (Centrum Agrarische Geschiedenis) over de tentoonstelling ‘Herders in de Zwinstreek’ in museum Sincfala te Knokke-Heist, bracht hierin verandering. Het schopje wordt er geïdentificeerd als een onderdeel van een herdersstaf. Het zat aan een lange steel zodat het werktuig tegelijkertijd dienst deed als ondersteuning om het evenwicht te bewaren op oneffen terrein. Met het schopje konden kluitjes aarde of keitjes gekatapulteerd worden richting een schaap dat van de kudde was afgeweken. In West-Vlaanderen noemde dit werktuig een ‘makke’, hoe het in de regio van Tessenderlo werd genoemd weten we voorlopig (?) niet. Op basis van de vondstomstandigheden dateert het exemplaar van Tessenderlo vermoedelijk uit de 15de/16de eeuw.

Bronnen:

Archaeologia Regionis, 10de jaargang, 1997, nr. 3, bladzijde 43-44

https://collectiebulskampveld.be/page/makke