Het zilveren bestek, zoals wij dat kennen, bestaat sinds de 18de eeuw. De initialen van de eigenaar en dikwijls ook het familiewapen werden traditioneel in het handvat gegraveerd. Vooral bij rijke burgers was het bestek persoongebonden. Het bestek werd in die tijd, onder Franse invloed, ondersteboven op tafel gelegd dus met de bolle kant naar boven, zodat de initialen goed zichtbaar waren. Het lepeltje heeft twee merkjes en gegraveerde initialen. Het bovenste merkje is een waarborgteken dat gezet werd op kleine zilveren voorwerpen. Het stelt een zwaardje voor en is gebruikt van 1831 tot 1868. Het onderste merkje is het meesterteken. Het bestaat uit de letter ‘D’ in een vierhoek. Boven de letter staat een onduidelijk beschadigd toegevoegd teken. Dit teken zou een betere datering mogelijk maken. De sierlijk gegraveerde initialen bestaan uit de letters ‘FDL’, die kunstig door elkaar gevlochten werden. Omdat het lepeltje in Tessenderlo gevonden werd, zochten we in de archieven naar een corresponderende naam. Uiteraard moest die eigenaar een zekere welstand hebben. Al vlug kwamen we terecht bij burgemeester François Deleeuw. Het probleem was echter dat de naam ‘Deleeuw’ in de huwelijksakte en de overlijdensakte in één woord geschreven wordt. Gelukkig bracht de doopakte de oplossing: de naam Deleeuw staat er met twee woorden geschreven: De Leeuw. We kunnen dus met tamelijk hoge zekerheid en bij gebrek aan een andere hypothese zeggen dat het lepeltje toebehoorde aan burgemeester François Deleeuw. Het lepeltje dateert aldus uit de periode 1831-1857 toen Deleeuw nog vrijgezel was. Hij was burgemeester van 1836 tot 1876.