Het heidelandschap van de Kempen was in de middeleeuwen uitermate geschikt voor de schapenteelt. De woeste gemeenschappelijke gronden rond de dorpen werden hiervoor benut. Schapen werden niet enkel voor de wol gehouden maar ook voor het vlees. Bovendien werd de heide door deze teelt bemest. De wol uit de Kempische dorpen werd uitgevoerd naar de steden waar de wol werd gebruikt in de lakenindustrie. Het weven of breien van de wol voor eigen gebruik gebeurde eerder op kleine schaal. In de steden daarentegen werden lakens gemaakt en verhandeld. Getuigen daarvan zijn onder meer de lakenhallen van Diest en Herentals. Vanaf de zestiende eeuw werd minder wol verhandeld, de schapenteelt had toen het hoogtepunt bereikt. Nadien daalde de wolnijverheid. Het spinnewiel met voetaandrijving werd uitgevonden en verder ontwikkeld rond 1530. Tegen het einde van de zestiende eeuw werden de spinsteentjes hierdoor overbodig en weggegooid. Sommige steentjes kregen een alternatief gebruik als deuropener waarbij een koord door het gat van de spinschijf werd gehaald en geknoopt. Tijdens het archeologisch onderzoek van het Hof van Goor te Tessenderlo werden op een kleine oppervlakte in een laag, daterend uit de 16de eeuw, diverse steentjes gevonden.

Bron: Adriaan Verhulst,1970, De inlandse wol in de textielnijverheid van de Nederlanden van de 12e tot de 17e eeuw: produktie, handel en verwerking.

Zie ook: http://testavzw.be/getuigen-van-wolproductie-het-spinsteentje-bleef-vanaf-de-prehistorie-tot-1600-in-gebruik/