Tijdens het Tertiaire tijdperk lagen Diest en Tessenderlo aan zee. De kustlijn van deze zee, die in het Mioceen de Diestiaanzee wordt genoemd, was min of meer noordoost-zuidwest gericht tot aan Boulogne-sur-Mer. Opgewoeld zand werd afgezet onder de vorm van zandbanken. Ongeveer 5.000.000 jaar geleden trok deze zee zich terug. Na de terugtrekking van de zee oxideerde het glauconiethoudende grijsgroene zand tot limoniet, met andere woorden het zand werd blootgesteld aan de lucht en roestte omdat glauconiet deels uit ijzer bestaat. De zandbanken worden vandaag ‘bergen’ genoemd in het Hageland en omstreken. Hun oriëntatie is nog dezelfde als de vroegere kustlijn. De huidige heuvels met een ‘kap’ bestaande uit ijzerzandsteen zijn dus de zandbanken van deze zee. In sommige holle wegen is het oorspronkelijke zand nog te zien onder de dikke laag ijzerzandsteen. Een aantal schaaldieren, die op deze zandbanken leefden of er aanspoelden na de terugtrekking van de Diestiaanzee, werden gefossiliseerd. De schelp werd enkel als afdruk bewaard. In zeldzame gevallen is ook de schelp gefossiliseerd. Het gidsfossiel uit deze periode is een tweekleppige, namelijk de soort Glycymeris obovata baldii, GLIBERT & VAN DE POEL, 1965. De afdrukken van het taxodonte slot (tandjes) is duidelijk te zien. Op sommige heuvels kunnen deze schelpen opgeraapt worden. Een verwant van deze soort is de recente schelp Glycymeris glycymeris, LINNE, 1758. Losse kleppen van deze soort spoelen regelmatig aan op de stranden van Frankrijk en Portugal. Het schaaldier is eetbaar en is in de meeste grootwarenhuizen te verkrijgen. De Nederlandse naam is ‘Gewone marmerschelp’. Ook de soort Glossus lunulatus, NYST,1835 komt veelvuldig voor.