Tijdens de renovatie van het marktplein van Tessenderlo werd ook het gedeelte, nabij de Kerkstraat, ten noorden van de kerk vernieuwd. Tot 1950 was de thans brede Kerkstraat slechts een voetweg, toen de ‘Vischmerktvoetweg’ genoemd. Tussen de voetweg en de kerk stond een gebouw behorend tot het domein van de pastorie. Op die plek legde de bulldozer een afvalkuil uit het einde van de 19de eeuw bloot. In de kuil bevond zich ondermeer een kleine visbraadslede. Van 1877 tot 1895 was Keesen pastoor van Tessenderlo. Hij installeerde in die periode in een bijgebouwtje van de pastorie een winkeltje waar de bevolking bakharing kon kopen, boeks(h)erring genoemd in het Loois dialect. Dit is een heel lekkere, lichtgezouten vis maar je bakt hem best buiten vanwege de doordringende geur die in het huis blijft hangen. De haring werd in tonnen aangevoerd vanuit Holland. Waarschijnlijk was hij gekaakt dit wil zeggen dat de ingewanden en de kieuwen werden verwijderd om het leegbloeden te versnellen. Nadien werd de buikholte gezouten om de vis lang te kunnen bewaren. Deze verwerkingswijze zou al dateren uit de 14de eeuw.

Het is een kleine braadslede met een vlakke bodem zodat het contact met de stoof optimaal was. De afmetingen zijn 32 x 19 x 6 cm. In de braadslede kunnen gemakkelijk 4 bakharingen tegelijkertijd gebakken worden. De braadslede werd vervaardigd uit witbakkend aardewerk en heeft twee rechtopstaande oortjes, wat typisch is voor de 19de eeuw. De buitenzijde heeft een paarsbruine en de binnenzijde een geelachtige glazuur.