In museum De Kelder te Tessenderlo bevindt zich een pamflet dat bestaat uit twee met zwarte inkt bedrukte vellen oud papier met een breedte van 280 en een hoogte van 240 mm. Deze bladen zijn overlangs in twee gevouwen zodat acht genummerde bladzijden ontstonden, in drukkerstermen een halve katern. Het pamflet is in de Nederlandse taal opgesteld. Het is één van de talloze gedrukte pamfletten die op het einde van de 18de eeuw verspreid werden. Dat was niet alleen de periode van veel politieke onrust met het ongenoegen over Jozef II, de Brabantse Omwenteling en de Franse invallen maar ook een periode waarin er voldoende geletterden waren die dit soort pamfletten kochten en lazen.

Inhoud

Het pamflet is gericht aan de beminde medeborgers, meer bepaald aan de Heeren Staeten ende eersaeme en goede mannen der Negen Natien der Stadt Brussele met de bedoeling om opstandig te worden tegen de vyanden dat sy ons voor de tweede ryse door dusdaenigh omweder niet verpletten.  De auteur richt zich ook tot de Souveryn met de hoop dat deze verlossing zal bieden. Hij kant zich fel tegen de volgens hem onrechtmatig aangestelde rechters die hij de vier gewesene onwettighe uytvoerders van het oppergesagh, gebastardeerde Raets-heeren en  bloedsuypers noemt. Zij zouden  eerlijke burgers opsluiten in kerkers, hun huizen vernielen, enz.  Maar deze rechters zouden niet optreden tegen de Peerden, Voituren en Capuciene dieven die op eenen naght binnen Brussele dry-en-negentigh huysen de gelaesen hebben uytgeslaegen, de Capucienen hebben bestolen, hun uyt hun Clooster gejaeght, eene mande met Heyligdoem gebraght in de herberghe de Swaen op het Coren-huys, alle baldaedigheden hebben begaen met twee Paeters Capucienen, sy de welke in het gesight van alle menschen by naer in alle de herbergen deser voormelde Stadt hebben gekapt ende  geslaegen tot de doodt toe.  Hij vraagt zich ook af waarom de ordeverstoorders, die petities laten ondertekenen om Maria-Christina terug als gouvernante in het land te krijgen, niet worden gestraft. Verder heeft hij het over den eed aan den Keyser  en de eed aan de Fransche Natie. Tenslotte wordt de datum 10 juli 1793 vermeld als capitulatie waarbij alle pasters de welke den Franschen eed hebben gedaen uyt Condé doet vertrecken.

Datering

Op bladzijde 2 staat dat ze (= de Fransen) ons voor de tweede ryse (= keer)  door dusdaenigh omweder niet verpletten. Dit betekent dat ‘zij ons niet voor een tweede keer op die manier verpletteren’. Het is verleidelijk om hierin een verwijzing te zien naar de tweede en definitieve inval van de Fransen in 1794. Maar het feit dat Maria-Christina ter sprake komt wijst in een andere richting want zij is in 1793 nog afgelost als landvoogd door Karel van Oostenrijk-Teschen die inderdaad de broer is van keizer Frans II zoals op bladzijde 5 staat en die op dezelfde bladzijde onze soeverein genoemd wordt. Maar op bladzijde 6 staat een duidelijke verwijzing naar de Eed van Haat uit de Franse Tijd te lezen die in 1796/7 verplicht werd. De Eed van Haat luidt in een vrije vertaling als volgt ‘Ik zweer haat aan het koningschap en aan de anarchie en getrouwheid aan de Republiek en aan de grondwet’. Het pamflet dateert dus uit het begin van de Franse tijd en werd opgesteld door een auteur die de Oostenrijkse keizer nog steeds als de legitieme vorst beschouwde en die bij de Staten van Brabant en de Negen Naties van Brussel aandrong dat diegenen die meeheulden met de bezetter uit hun ambt ontzet zouden worden. Dat geeft meteen een datum ante quem want die instelling werd in 1796 afgeschaft. Het pamflet dateert dus van tussen 1794 en 1796.