De karper werd  in de kloostervijvers al gekweekt in de 13de eeuw. In de 15de eeuw kwam hij algemeen voor in de Vlaamse vijvers en rivieren. Herenboerderijen waren meestal volledig omringd met een gracht. De eigenaars maakten volop gebruik van dit water om karpers te kweken. Het Hof van Goor te Tessenderlo was zo’n boerderij. Keukenstillevens van Vlaamse schilders laten zien dat karper in de 16de eeuw een zeer geliefde vis was. De karper heeft echter een karakteristieke smaak en de in moten gebakken vis heeft zout nodig om deze smaak te verbeteren. Op de tafel van het Hof van Goor stond in de 16de eeuw een zoutvaatje. Dit werd vermoedelijk gebruikt om extra zout aan gerechten toe te voegen.

HVG 00072

Het ‘zoutvaatje’ uit de 16de eeuw is een klein schoteltje dat komvormig werd gemaakt, zoals een soepbord. Het schoteltje is volledig, ook op de vlag, bedekt met een witte slibpap waarover loodglazuur werd geplaatst. Zo kreeg het een gele kleur. Deze werkwijze had ook een functioneel doel. Rood aardewerk met loodglazuur wordt snel door zout aangetast. Daarom werd onder het glazuur eerst fijne witte klei aangebracht. Langs de binnenzijde is het merendeel van de witte klei en het loodglazuur verdwenen. Hier en daar zijn er nog resten aanwezig. Als versiering werden op de vlag twee concentrische bruine lijnen aangebracht. Het ‘zoutschoteltje’ staat op een kleine geknepen standvoet. De onderzijde werd slechts gedeeltelijk geglazuurd. Er is één aanbakspoor. Enkele ontbrekende randen werden gerestaureerd. Afmetingen: diameter 130 en hoogte 35 mm.