In een boerderij werd de kamer boven de kelder ‘kellekamer’ of ‘opkamer’ genoemd. De kelder lag half verzonken, dus een deel lag boven en een deel onder het vloerniveau. Hij diende vooral om melk en zuivelproducten te bewaren, maar ook andere voedingsmiddelen, zoals onder meer appels, werden er gestockeerd. De trap naar de kelder was in het Hof van Goor van ijzerzandsteen gemaakt, een twaalftal gezaagde blokken werden hiervoor gebruikt. Wellicht werd deze steen gedolven in de groeve op Kepkesberg, gelegen op een boogscheut van de boerderij. De treden waren fel uitgesleten door het intensieve gebruik. De slijtage liet zeer goed zien hoe de bewoners de vijf treden hadden gebruikt. Bovenaan de trap was een nis gemetst om verlichting te plaatsen, zoals een petroleumlamp. In de zuidelijke muur was iets boven het vloerniveau een open keldergat voorzien waarvoor vijf tralies stonden. Bij het bouwkundig onderzoek, dat gebeurde onder leiding van Caroline Vandegehuchte, bleek dat eerder een keldergat was dichtgemaakt in de oostelijke keldermuur. In de bakstenen vloer, vlak naast de trap, was een klein afvoerputje gemaakt, dat vooral dienst deed bij het kuisen van de kelder.

Via een korte steile houten trap, die niet meer aanwezig was, kon de deur naar de kellekamer bereikt worden. De deur met vlinderscharnieren was gemaakt van planken en kon gesloten worden met een eenvoudige vergrendeling. Deze kamer, met muren waarop een dikke plaasterlaag aanwezig was, had nog deels de lemen structuur van weleer. De vloer was van bakstenen gemaakt. Een raam zag uit op het zuiden. Kellekamer en kelder waren even groot (4,3 x 2,15 m), veel plaats om te staan naast het bed was er dus niet.