De eerste vermelding van het Hof van Goor, zoals wij het cijnshof noemen, dateert van het jaar 1301 van de eerste zaterdag na Allerheiligen. De oorkonde bleef niet bewaard maar werd in 1534 na de dood van Ghert Vanden Eynde, vader van Jan Vanden Eynde, integraal opgeschreven. Bij het overlijden van de eigenaar van een leen moest de erfgenaam het leen ‘verheffen’, dit wilde zeggen dat de eigenaar een belasting moest betalen aan de leenheer. In de oorkonde wordt echter vermeld dat de leenman van het Hof van Goor en zijn erfgenamen ‘ tot eywighen dagen’ nooit belastingen zullen moeten betalen.

In de oorkonde van 1301 wordt het Hof van Goor ‘leengueden vanden ghoer’ genoemd. In de verheffing heet het domein ‘tgoet van ghoer te Tessenderloe’. Interessant bij de beschrijving van het leengoed is ook de eerste vermelding van de ‘Oude molen’ op de Berg, toen eigendom van de graaf van Loon. Verder mag de leenman in de regio zoveel konijnen en patrijzen vangen als hij wil zonder toestemming te vragen. Het is de leenman tevens toegelaten om het vee dat op zijn eigendom komt te behouden. Henricken Van Ghoer is tot op heden de eerste bekende eigenaar.

 

R.A.H. Verheffingen der Leenzaal van Kuringen reg. 13 fo. 169