Vooral David Teniers II schilderde interieurs van rokerige herbergen in de eerste helft van de 17de eeuw. De ketels van de kleipijpen waren toen nog zeer klein, tabak was immers nog relatief duur. De pijpenstelen echter waren zeer dik.

Kleipijpenmakers ontvluchtten Engeland

Na het vijfjarige bewind van “Bloody Mary, besteeg de Tudor koningin, Elisabeth I, dochter van Hendrik VIII en Anna Boleyn (van Hollandse afkomst) de Engelse troon. Elisabeth had weinig belangstelling voor godsdienstzaken, zodat geloofsvervolgingen onder haar regering luwden (één van de redenen waardoor ze geliefd was in haar eigen land). Geregeld stuurde ze troepen naar de Noordelijke Nederlanden ter ondersteuning tegen de Spaanse koning. Na haar dood in 1603 werd Jacobus I, een Stuart, koning. Deze wispelturige vorst zocht onmiddellijk toenadering met aartsvijand Spanje. Het is dan ook niet verwonderlijk dat vele Engelsen hun geboorteland ontvluchtten naar de Noordelijke Nederlanden waar een groot deel dienst nam in het leger. Wie in feite het tabaksgebruik binnenbracht in de Noordelijke Nederlanden, is niet geweten. Was het een uitgestuurde soldaat of een gevluchte pijpenmaker? Feit is dat men rond 1600 daar kleipijpen begon te fabriceren. Vele vroege kleipijpen werden gemerkt met de roos van Tudor. Heimwee naar ‘the good old days’?

De Tudorroos

De Tudorrozen werden meestal bifaciaal op de ketel aangebracht. In het begin werden de Tudorrozen als ‘zijmerk’ op de hiel gezet, onderaan de hiel als hielmerk of als merk op de dikke steel. De vorm van de roos was die van een ‘echte’ vijfbladige roos. In een later stadium werd de figuur hoger op de ketel gezet en verzandde het motief: de blaadjes worden stippen en de kelkblaadjes zweven tussen de stippen. Ook het aantal ‘blaadjes’ wijkt af vier – vijf – zes of zelfs meerbladige rozen komen voor. De stippelrozen zijn tot omstreeks 1700 populair gebleven. De kleipijpen zonder hielmerk behoorden tot de ordinaire pijpen, de afwerking is doorgaans eenvoudig en de radering werd enkel aan de voorzijde van de ketel aangebracht

PPV 00319

Enkel de ketel van deze kleipijp bleef bewaard. De rand van de ketel is aan de binnenzijde lichtjes beschadigd. Het oppervlak vertoont veel scheurtjes en barstjes die te wijten zijn aan het slecht kneden van de klei. Op de kleine maar robuuste ketel staat langs twee zijden een Tudorroos. De roosvorm verkeert nog in een tamelijk vroeg stadium: het is een vijfbladige roos met vijf kelkblaadjes. Afmetingen: hoogte 33,4, breedte ketel 18,5 en steeldikte 10 mm. Datering: rond 1650.

PPV 00320

Van deze kleipijp bleef een deel van de steel bewaard. De ketel is zeer klein en robuust van vorm. De rand is aan de voorzijde een beetje beschadigd. Het kleipijpje draagt als hielmerk een gekroonde Tudorroos. Afmetingen: hoogte 25,7, breedte ketel 18,9 en steeldikte 10,3 mm. De kleipijp is door de ijzerhoudende bodem deels bruin gekleurd. Het is een kleipijpje uit de vroege 17de eeuw en daarmee het oudste kleipijpje van Tessenderlo.

PPV 00321

Van deze kleipijp bleef een deel van de steel bewaard. De ketel is langgerekt. Bifaciaal werd op de ketel, ongeveer in het midden, een tamelijk grote vijfbladige Tudorroos aanbracht. De rand van de ketel is overal beschadigd. Afmetingen: hoogte 36+, breedte ketel 20,1 en steeldikte 12,2 mm. Datering: rond 1650.