Niet alleen in Lummen maar in grote delen van West-Europa was de wolharige neushoorn een veel voorkomend zoogdier tijdens het geologische tijdvak ‘weichseliaan’, ook wel de laatste ijstijd genoemd. In België lag geen ijs, het landschap had het uitzicht van een toendra, ideaal als graasvlakte voor grote kuddes zoals mammoeten, wolharige neushoorns, paarden, runderen en andere dieren. De kuddes moeten tussen 100.0000 en 14.000 jaar geleden enorm van omvang geweest zijn. Engeland was toen nog verbonden met het vasteland. De huidige mens, maar ook de neanderthaler, volgden de dieren en maakten er jacht op. Wolharige neushoorns werden 3,5 m lang en 1,8 m hoog. De dieren bezaten twee gevaarlijke smalle hoorns. De wetenschappelijke naam van de ‘wolharige neushoorn’, is Coelodonta antiquitatis, deze naam verwijst naar de holtes in de tanden. In tegenstelling tot de huidige soorten neushoorns had de wolharige neushoorn een dikke vacht tegen de kou. Het dier is uitgestorven door bejaging of door een klimaatswijziging, hier is nog discussie over, vermoedelijk is het een samenloop van omstandigheden geweest.

Bron:  Cranium november 2011

http://www.pleistocenemammals.com/

PPV 00751

Testalid Patrick Liesenborgs vond op het einde van de 20ste eeuw bij baggerwerken in het Schulensbroek te Lummen een aantal beenderen, onder meer een tand van een wolharige neushoorn en enkele fragmenten van een slagtand van een mammoet.  De tand van de wolharige neushoorn is een maaltand. Deze kies is volledig intact en heeft nog al zijn tandwortels. Het kauwvlak is komvormig, meer bepaald is de rand richelvormig, met twee holtes, een kleine langs de zijkant en ongeveer in het midden een ovaalvormige holte. Afmetingen: lengte 50, breedte 35 en hoogte 41 mm.