De ontdekking

De oprichting van Testa vzw in 1988 leidde tot een aantal vondstmeldingen van uiteenlopende aard. Zo meldde Stefan Aldelhof dat hij samen met René Clonen in de zomer van 1971 in de berm van de nabijgelegen Lindenstraat een aantal scherven en crematieresten had ontdekt. De melding werd onmiddellijk aan Guido Creemers, de toenmalige provinciale archeoloog, overgemaakt. Na restauratie aan het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium bleek het om een biconische urne met rechte, cilindervormige hals te gaan. Het geheel werd oorspronkelijk overdekt door een grote ruwwandige scherf. Uit de archieven bleek tegelijkertijd dat tijdens de bouw van de meisjesschool van Engsbergen, een gehucht van Tessenderlo, men in 1879 een urne en een klein bijpotje had opgegraven. De urne, die beschadigd was, geraakte verloren. Het bijpotje kwam uiteindelijk terecht in het Provinciaal Gallo-Romeins Museum te Tongeren.

Bedreigd

Omdat enkele percelen in de onmiddellijke omgeving bebouwd zouden worden, besloot Guido Creemers een archeologisch noodonderzoek uit te voeren in 1992. De opgraving, die ondernomen werd door het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium verliep in samenwerking met het gemeentebestuur van Tessenderlo, het Provinciebestuur en de vereniging ‘Testa’. Dankzij het enthousiasme en de intensieve medewerking van verschillende leden van Testa verliep het onderzoek erg vlot.

Onderzoek 1992, een kringgreppel

In totaal werden er 14 graven opgetekend. In de meeste gevallen ging het om crematiegraven zonder bijgiften. Over het algemeen waren het eenvoudige beenderpakketten waarvan de resten zorgvuldig op de brandstapel uitgelezen werden en daarna waarschijnlijk in een doekje gewikkeld aan de bodem toevertrouwd werden. In enkele gevallen ging het om brandrestengraven, waarbij de crematieresten samen met houtskool en as van de brandstapel in een kuiltje werden uitgestrooid. Er waren slechts twee urngraven. Deze urnen waren echter beschadigd door de ploeg. Eén van deze urnen had twee oortjes. In deze “amfoor” werd een bijpotje geplaatst dat echter eveneens beschadigd was. Het grafmobilier geeft dus een vrij armzalige indruk. Slechts in één graf was er een klein fragmentje gesmolten brons, mogelijk een kraal, aanwezig. Grafstructuren bleken eveneens weinig voor te komen. Aan de zuidkant van het perceel kon slechts één kringgreppel opgetekend worden die gedeeltelijk door de aanleg van de huidige Lindenstraat vernietigd werd. Oorspronkelijk had deze greppel een doormeter van 11 meter. Er bevond zich een kleine toegang aan de N-NO-zijde. Binnen deze kringgreppel waren nog drie graven geheel of gedeeltelijk bewaard. Of het geheel oorspronkelijk overkoepeld werd door een grafheuvel kon niet vastgesteld worden.

Onderzoek 1993, een ‘dodenhuisje’

In maart-mei 1993. werden 31 graven ontdekt. Merkwaardig was wel dat in het dichtst bezette gedeelte van het grafveld vlak bij elkaar vier graven ontdekt werden die van de rest van het grafveld afgescheiden waren door vier in het vierkant gestelde palen: Guido Creemers vermoedt dat deze palen oorspronkelijk een dak geschraagd hebben, zodat er sprake kan zijn van een soort dodenhuisje.

Een plaggendek en een waterput

Verschillende graven waren gedeeltelijk beschadigd door de ploeg. Dit moet al lang geleden gebeurd zijn vermits het grafveld afgedekt werd door een middeleeuws es- of plaggendek. In de 14de-15de eeuw heeft de mens namelijk de omgeving geschikt bevonden om aan landbouw, waarschijnlijk de verbouwing van gerst, rogge en boekweit, te doen. Om de vruchtbaarheid van de gronden te verzekeren gebruikte de boer plaggen (zoden), vermengd met stalmest. Dit fosfaatrijke mengsel werd jaar in jaar uit op het land uitgereden, waardoor de ploeglaag zich geleidelijk aan, tot meer dan een meter ophoogde. Uit het onderzoek bleek dat in eerste instantie heideplaggen gebruikt werden. Later, mogelijk toen het heide-areaal in de omgeving verdwenen was, werd er overgeschakeld op bosplaggen. In de onmiddellijke omgeving lagen waarschijnlijk de boerderijen. Hiervan vond men geen resten terug. Wel ontdekte men greppeltjes die verband houden met de tuinen van de omwonenden en een waterput die gemaakt werd uit los gestapelde ijzerzandstenen. Op de bodem van de put vond men nog fragmenten van twee aarden 15de eeuwse teilen en enkele houten werktuigen terug. Dit is wel opmerkelijk vermits organisch materiaal slechts in uitzonderlijke omstandigheden bewaart op de Kempische zandgronden. Het gaat hier dus om een dicht bezet grafveld met toch eerder armzalige grafinhouden. Dankzij de geleidelijke ophoging van het middeleeuwse plaggendek is het grafveld niet volledig aan machinaal diepploegen, lees vernietiging, ten prooi gevallen.

Onderzoek 1995, een langbed

Tijdens de campagne van 1995 werd een ovale greppel ontdekt van minstens 18 meter lengte en ongeveer 3 meter breedte. Het westelijk gelegen gedeelte van de greppel bevindt zich echter onder een bebouwd perceel. Binnen dit langbed troffen we 6 crematiegraven aan, waarvan één urngraf, drie brandrestengraven en twee beenderpaketten. Deze structuur bevond zich waarschijnlijk aan het zuidelijk uiteinde van het grafveld.

Conclusie

Alles samen werden 53 brandgraven, de oude vondsten inclusief, geborgen. Meestal gaat het om eenvoudige beenderpaketten die in een kuiltje in de bodem gedeponeerd werden. Verder zijn er heel wat brandrestengraven en een tiental urngraven. Deze laatste hadden plaatselijk tamelijk geleden onder middeleeuwse en/of recente ploegwerken. De urnen zijn morfologisch erg verschillend. Bijgiften komen, op enkele bijpotjes en bronzen kraaltjes na, niet voor.  De graven dateren vermoedelijk uit de Hallstatt-periode of vroege ijzertijd (700-450 voor Christus). Tijdens deze periode was het in een gedeelte van West-Europa ‘ de gewoonte om de gecremeerde doden samen in zogenaamde ‘urnenvelden’ te begraven. Deze gewoonte kwam tijdens de late bronstijd overgewaaid vanuit Centraal-Europa. Enkele verkleuringen met intens verschroeide aarde, houtskool en scherven duiden vermoedelijk de locaties van de brandstapels aan. De schikking van de graven in twee onderscheiden slierten aan weerszijden van een lange NW-ZO geöriënteerde strook insinueert het bestaan van een pad of een weg doorheen het centrale of iets noordelijk gelegen gedeelte van de dodenakker.