Het is niet verwonderlijk dat spinsteentjes regelmatig worden aangetroffen tijdens prospectietochten. Eeuwenlang was het spinnen van schapenwol in onze streek een belangrijk onderdeel van het dagelijkse leven en zelfs een noodzaak. Ieder gezin bezat zeker een handvol spinsteentjes om warme kledij, die nodig was om te overleven, zelf te maken. Spinnen laat toe verschillende vezels tot één enkele draad om te vormen door ze in elkaar te draaien. Voor de uitvinding van het spinnewiel werd wol met de hand gesponnen. Deze methode was al gekend in de prehistorie. In feite was het een revolutionaire uitvinding en tegelijk was het toch technisch simpel bedacht. Bij het handspinnen waren drie elementen belangrijk: de spinschijf, de spinstok en het spinrokken, dit laatste is een gevorkte stok. De bedoeling van de spinschijf was om de spinstok onderaan te verzwaren zodat de stok ronddraaide en de wol een draad vormde. De losse vezels zaten bovenop het spinrokken, die meestal tussen de benen werd gehouden. De losse vezels noemde men de kluts. De gesponnen draad werd op een spinstok van ongeveer 30 cm gewikkeld. Het handspinnen raakte in de vergeethoek met de opkomst van het spinnewiel in de 16de eeuw. Vermoedelijk werden de nutteloze spinsteentjes dan gewoon weggegooid. Verschillende types werden gevonden. De spinsteentjes die in steengoed werden gemaakt dateren meestal uit de 16de eeuw. In Raeren werden er duizenden gemaakt. De andere spinsteentjes uit rood-, grijs- of witbakkende klei zijn ouder.