De beeldjes werden gebruikt in schiettenten, in de volksmond ‘schietbrakken’ genoemd, op de kermis. Enkel het afvalproduct, het kapotgeschoten beeldje, wordt gevonden bij prospectieonderzoek, nooit volledige exemplaren. De fragmenten worden in verschillende gemeenten opgeraapt. Bekend zijn naakte pissende kinderen, geklede pissende kinderen, militairen en bourgeoisbeeldjes. Prospectieonderzoek heeft in belangrijke mate bijgedragen tot meer kennis over deze beeldjes die vermoedelijk gebruikt werden vanaf 1875 tot 1925. Toch ontbreekt zeer belangrijke informatie, niet alleen over het uitzicht van de beeldjes maar ook in verband met hun gebruik, productieplaats en evolutie. Laten we hopen dat in de toekomst meer beeldjes gevonden worden en dat er tijd is voor archiefonderzoek. In het dagelijkse leven van onze voorouders was het schieten naar dergelijke beeldjes een ontspannende bezigheid.

Naakt pissend kind

Het beeldje, gemaakt van witte pijpaarde, stelt een naakt kind voor dat op een voetstuk staat. Het kind steunt met de rechterhand met gebogen arm in de zij, met de linkerhand houdt het jongetje zijn geslachtsdeel vast om te pissen. Hierbij houdt hij het bovenlichaam lichtjes achteruit. Het hoofdje heeft lichtkrullend, golvend haar. Het gezichtje is tamelijk rond en de wangen staan bol. Het gezicht geeft een grijnzende of gespannen indruk. Een navelgat is zichtbaar. Het beeldje is dubbel gemouleerd maar slordig afgewerkt. Vooral aan de achterzijde werd weinig aandacht besteed. Onderaan is er een gat dat bij sommige beeldjes cirkelvormig en bij andere half cirkelvormig is. Het mannetje lijkt met zijn achterwerk te leunen tegen een zuil, maar vermoedelijk heeft dit een praktische functie (stevigheid). Het gezegde ‘tegen iemand pissen’ betekent iemand verachten. Dit gezegde wordt in onze streek niet zo veel gebruikt. We kennen wel de uitdrukking in het dialect ‘ne zaaiker’. Dit wordt gezegd tegen iemand die zich onnozel gedraagt en op andermans zenuwen werkt. Mogelijk is het gebruik van de figuur ook tegelijkertijd ludiek bedoeld. Het pissend kind lijkt zeer sterk op het originele ‘manneke-pis’ van Brussel. Dit is ook een kind, het heeft eveneens de rechterarm in de zij en heeft dezelfde gelaatsuitdrukking en haarkapsel.

Pruis

Een ander beeldje stelt een militair voor. Zoals uit de kleipijpencatalogus van Gambier blijkt stelt de militair een ‘Pruis’ voor. Een Pruis wordt beschouwd als het prototype van een militair. De naam wordt ook gebruikt voor de ‘Duitsers’. Deze Pruisische soldaten hadden in ieder geval een slechte reputatie. Logisch dat men er op wilde schieten. Vermoedelijk is het een officier want hij heeft een lange sabel bij zich die tot aan de linkervoet reikt. Hij houdt de armen naast het lichaam en omknelt met beide handen de greep van de sabel. De sabel hangt aan een ceintuur die echter niet is weergegeven. Enkel een draagriem is voorzien. Op het uniform zijn twee rijen knopen zichtbaar telkens vier in getal. Het uniform reikt tot aan de benen. Of hij daaronder een broek draagt is niet duidelijk, vermoedelijk wel, want hij draagt hoge laarzen die tot aan de knieën reiken. Op het hoofd draagt hij een helm. Ook dit beeldje staat op een voetstuk dat halfrond is. De voorzijde is versierd met minuscule bolletjes. Onderaan is er een half cirkelvormige opening die smaller wordt naar boven toe.

Neger

Het beeldje stelt een neger voor volgens de catalogus van J.Schilz-Müllenbach, uitgave 1910. Hij draagt een slipjas (dialect ‘pitteleer’) en een vlinderdasje (dialect ‘neuke’). Hij houdt beide armen ter hoogte van zijn borst. Rond de hals draagt hij een ‘versiering’ die op een sjerp lijkt. Deze versiering reikt tot aan de benen. Broek en schoenen zijn slecht weergegeven. Ook deze figuur staat op een voetstuk. Onderaan is er een rond gaatje. Slechts één enkel exemplaar werd gevonden van dit type. Het beeldje is min of meer compleet, alleen het hoofd ontbreekt. De figuur is zeer slecht afgewerkt, vormnaden werden niet weggewerkt. Vermits slechts één fragment werd gevonden is hier enige voorzichtigheid geboden. Waarschijnlijk is het beeldje eveneens een figuur om op te schieten. Het bezit zoals de andere beeldjes een gaatje om op een ijzeren pin te plaatsen. Het hoofd was oorspronkelijk zwart gekleurd maar werd niet teruggevonden.

Schiettentkleipijp

Vermoedelijk kochten foorkramers of handelaars in de beginperiode de misbaksels van kleipijpen op bij de kleipijpenfabricanten. Kleipijpen hebben immers al een gaatje (rookkanaal) dat goed kon gebruikt worden om de pijp recht te zetten op een ijzeren pin. Nadien vervaardigde men speciale schiettentkleipijpen voor de kermis. Deze kleipijpen werden (opzettelijk?) zo gemaakt dat men ze niet kon roken. Meestal is de ketel plat en bij de vervaardiging zorgde men er voor dat de wijer geen contact maakte met de pijpenkop. De wijer is een ijzeren draad met knopvormig uiteinde waarmee men het rookkanaal maakte. Deze kleipijpen hebben meestal een ovale opening in plaats van een ronde en zijn sober versierd met streepjes of cirkels.

Keskeschiet

In de schiettenten werd ook geschoten naar brandende kaarsen. Wie ze kon uitschieten (het vuur) kreeg een prijs, ‘een prijs van keskeschiet’ wil eigenlijk zeggen een prijs van zeer weinig waarde.

Meer info:

Tijdschrift Archaeologia Regionis:

  • jaargang 2000 bladzijde 4 tot 15
  • jaargang 2002 bladzijde 25