Op de bodem van de gracht van het Hof van Goor werd een loden zegel gevonden. Het loden zegel heeft een diameter van 40 millimeter en is sterk gecorrodeerd. Op de voorzijde staan de letters (SPA)SPE voor. Dit betekent voluit ‘Sanctus Paulus Sanctus Petrus’. De hoofden van deze twee apostelen werden op dezelfde zijde afgebeeld binnen een parelrand. Het geheel bevindt zich nogmaals binnen een parelcirkel. Het hoofd van Paulus werd beschadigd door corrosie (loodpest). Ook de letters SPA zijn niet meer leesbaar. Tussen de hoofden is een kruis zichtbaar. Pauselijke zegels met afbeeldingen van de twee apostelen komen voor sinds het einde van de 11de eeuw (sinds Paus Paschalis). Op de keerzijde van het zegel staat, binnen een parelrand, de naam voor van de paus: CLEMENS VI. Deze naam is leesbaar in drie regels CLE / MENS / PPVI /. De naam van de paus is boven voorzien van een roosje en onder voorzien van twee roosjes. Vanaf de 12de eeuw werden de zegels met linten aan een oorkonde of aan een aflaat bevestigd. Het lint ging dwars door het zegel heen langs een opening. De beschadiging in het midden van het zegel laat zien waar het lint gezeten heeft. Het zegel is gemakkelijk te dateren aangezien CLEMENS VI slechts 10 jaar paus geweest is, namelijk van 1342 tot 1352. Een bul of bulle is een open brief van de paus, oudtijds geschreven op grauw perkament met gotische letters en afkortingen, voorzien van een loden zegel. Thans op perkament, na 1878 in gewone schrijfletter, gezegeld met een stempel waarop de beeltenis van de apostelen Petrus en Paulus te zien is.

Oorspronkelijk betekent een aflaat in de rooms-katholieke kerk een kwijtschelding van kerkelijke boete (Latijn: indulgentia) of kwijtschelding van de tijdelijke straffen die men na de vergeving der zonden in het vagevuur nog zou moeten ondergaan. In de 11de eeuw ontwikkelde de aflaat zich in de latere betekenis: aan bepaalde vrome werken werd kwijtschelding van zondestraf verbonden. Kwijtschelding van de zonden kon men ondermeer bekomen door op bedevaart te gaan. In de latere middeleeuwen ging de clerus de aflaat misbruiken als een handelszaak en de aflaatprediking als een bron van inkomsten. Tegen betaling kon men dus zijn zonden ‘afkopen’ zodat de ‘wachttijd’ in het ‘gevreesde’ vagevuur verkort werd. Tegen betaling kreeg men dan een zogenaamde ‘aflaatbrief’ (met zegel). Dit heeft in het begin van de 16de eeuw bijgedragen tot het ontstaan van de reformatie. Het Concilie van Trente hief in 1562 het instituut van de aflaatpredikers op. In de praktijk is de betekenis van de aflaat thans sterk afgenomen. Tot in de 20ste eeuw is echter het systeem actief blijven bestaan onder de vorm van tegen betaling ‘opgedragen missen’ ten gunste van de overledene. Op oude rouwprentjes wordt onderaan dikwijls de hoeveelheid aflaten vermeld.

Meer info:

Tijdschrift Archaeologia Regionis:

  • jaargang 1998 bladzijde 59 tot 62