Wanneer tijdens de Tachtigjarige oorlog (1568-1648) het gerucht de ronde deed dat vreemde legers het neutrale prinsbisdom Luik zouden doorkruisen om elders oorlog te voeren dan sloeg de panische angst toe bij de lokale boeren. Deze woonden immers allemaal in vakwerkboerderijen waar mens en dier weerloos overgeleverd waren aan troepen die bijna steeds op zoek waren naar voedsel en buit. In afgelegen dorpen en gehuchten was er immers geen enkele gewapende macht die hen kon beschermen. De enige manier om erger te voorkomen was het latere Belgische gezegde ‘Eendracht maakt macht’ in de praktijk om te zetten. En dat deden ze, niet alleen in Tessenderlo maar in gans de Zuiderkempen, door schansen te bouwen waarin de plaatselijke bevolking zich met het vee kon terugtrekken in de stille hoop dat ze niet zouden ontdekt worden of dat ze gezamenlijk het hoofd zouden kunnen bieden aan de voorbijtrekkende troepen.

Een ‘schans’ is een aarden versterking die de boeren op eigen initiatief, maar met toelating van de prins-bisschop, optrokken op gemeenschapsgrond. Meestal werd in een rechthoekige vorm een gracht van enkele meter breed uitgediept waarbij de uitgespitte aarde aan de binnenzijde van de gracht tot een wal werd opgehoogd. Er was slechts één toegang die voorzien werd van een ophaalbrug. De verdediging bestond vooral uit de ligging in een vochtig gebied en de camouflage van de site door begroeiing. De bewapening was onvoldoende om aan echte legers het hoofd te kunnen bieden maar wel aan kleinere groepen plunderende soldaten. In het reglement van de Schoonhezerschans werd in 1624, na het Twaalfjarig Bestand, bepaald: zij die een geweer hebben moeten voorzien zijn van een half pond poeder en twaalf  convenabele loyen cogels, zoniet, een boete van 21 stuivers, waarvan de helft gaat naar de officier, de andere naar de schans en haar onderhoud. Zij die niets anders hebben dan een stok als wapen, zullen de wacht optrekken met een onstraffelijken stock voorzien van een ijzeren pin, dit op dezelfde boete.

PPV 00849

De eenvoudige ronde gesp is gemaakt van een koperlegering. De binnenrand is verhoogd ten opzichte van de buitenrand. De keerzijde van de gesp is conisch naar binnen. Aan de schuine middenstijl is een korte open angel bevestigd van 9 mm lang. De diameter van de gesp is 25,3 mm en de dikte 3,5 mm. Datering: 15de/16de eeuw. Met neemt aan dat ronde gespen van dit formaat schoengespen waren omdat een aantal gevonden werd die nog vastzaten aan schoenen. Het zijn vermoedelijk de opvolgers van de oudere ronde gespen van hetzelfde formaat maar zonder middenstijl.

Bronnen:

R. Whitehead, Buckles 1250-1800, Witham 2003

Broeder Max, Tessenderlo, Vroeger en nu, Kasterlee1960, p. 227.