De laatste cultuur van het neolithicum is de klokbekercultuur, gesitueerd tussen 2400 en 1900 voor Christus. Kenmerkend voor deze cultuur is het gebruik van stenen polsbeschermers die bescherming moesten bieden tegen de terugspringende boogpees. De cultuur kreeg de naam omwille van het gebruikte aardewerk dat op een kerkklok lijkt. Het was geen zuivere steentijdcultuur, in de laatste faze gebruikten ze koperen dolken. Over hun pijlpunten werd al veel geschreven. Zeker is dat ze gevleugelde pijlpunten met schachtdoorn gebruikten. Uit de onderzochte graven van de KBC-cultuur blijkt dat sommige groepen ook driehoekige pijlpunten en pijlpunten met een concave basis maakten. Het blijft echter problematisch om prospectievondsten aan een bepaalde cultuur toe te wijzen. Dergelijke pijlpunten kunnen evenzeer in het midden-neolithicum gemaakt zijn.