Tot omstreeks 1850 werden in Europa vuursteen- of flintgeweren gebruikt. Nadien kwam het systeem met slaghoedje in gebruik waardoor de geweersteen overbodig werd. Vooral op terreinen waar legers gebivakkeerd hebben of waar veldslagen geleverd werden vanaf de 17de eeuw tot omstreeks 1850 worden geweervuurstenen regelmatig gevonden. De geweervuurstenen die op andere terreinen sporadisch worden gevonden zijn meestal afkomstig van particuliere jachtwapens.

De geweervuursteen wordt geklemd tussen de metalen haan. Om de vuursteen te beschermen en goed vast te zetten wordt hij omwikkeld met een stukje leer of een loden ‘mantel’. De haan wordt opgespannen en als men de trekker overhaalt schiet de haan naar voren. De onbeschermde deel van de vuursteen slaat met hoge snelheid tegen het stalen pandeksel waardoor vonken worden geslagen. Deze vonken doen het kruit in de pan ontsteken en doorheen het ‘zundgat’ slaat het vuur naar binnen naar het kruit in de loop. Door de verbranding van het kruit ontstaat gas en de enorme druk duwt de loden bal met hoge snelheid naar buiten.

Zelden wordt een geweervuursteen gevonden die nog gewikkeld is in zijn loden mantel. Het loden omhulsel is als een strak korset rond de steen gewikkeld. Het loden voorwerp bestaat eigenlijk uit twee plaatjes die met elkaar verbonden zijn door twee loden bandjes. Eén plaatje heeft lateraal twee extra loden bandjes die de vuursteen omknellen. Hierover wordt dan het andere plaatje gevouwen. De plaatjes zijn korter dan de vuursteen die gedeeltelijk zichtbaar moet blijven om contact te kunnen maken met het pandeksel. Waar de haan het loden omhulsel vastklemde zijn kleine littekens, in de vorm van halfcirkelvormige putjes, achtergebleven op de loden huid.

Het loden beschermomhulsel werd dikwijls afgezoomd met een reliëfversiering die bestaat uit twee lijnen waartussen op regelmatige afstand stippen werden voorzien. De bandjes werden versierd met gebogen lijntjes. De loden mantel heeft dus twee doelstellingen: het beter vastklemmen van de vuursteen en tegelijkertijd het verminderen van breuk of ongewenste afslagen. De vuurstenen, die onontbeerlijk zijn voor het functioneren van de flintgeweren, hebben meestal een vierhoekige vorm en zijn tamelijk dik. De beste geweervuurstenen werden voorbehouden voor militaire doeleinden. Door de kracht van de slag tegen het pandeksel worden van de geweervuursteen bij ieder schot kleine schilfers afgehaakt. Een normale steen gaat ongeveer 30 schoten mee, maar met een goede steen kan soms dubbel of driemaal zo vaak geschoten worden. De retouches op sommige stenen laten dit duidelijk zien. De kleur van een geweervuursteen is meestal doorschijnend honingkleurig maar er werd ook blauwe, grijsblauwe en zwarte silex gebruikt. De fabricage van geweervuurstenen werd angstvallig geheim gehouden omdat het gebruik van een betere geweersteen de overwinning kon betekenen.

De afmetingen van de geweerstenen worden als volgt weergegeven: hoogte x breedte x dikte

Meer info:

Tijdschrift Archaeologia Regionis:

  • jaargang 1988 nummer 3
  • jaargang 1989 bladzijde 9 tot 10