Anoniem ooggetuigenverslag, zonder datum, van de verwoesting van de kerk en kerkhof van Ramskapelle. De Duitsers konden Ramskapelle in oktober 1914 veroveren maar het Belgische 6de Linieregiment, gesteund door het 16e bataljon Franse Jagers te Voet kon de Duitsers verdrijven. Er  sneuvelden meer dan 100 Belgen. De kerk en vele huizen werden zeer zwaar beschadigd. Het bijna poëtisch geschreven verslag dateert vermoedelijk van net na de slag omdat er sprake is van graven van soldaten en omdat de beenderen van andere graven nog zichtbaar waren. Geschreven op een blad geruit papier met de afmetingen 18,8 x 14,7 cm, in twee gevouwen zodat 4 bladzijden beschreven konden worden, 2 bladen papier werden gebruikt.

Te Ramscappelle. Juist achter de dorpsplaats links van den steenweg die naar de statie leidt staat of beter gezegd stond de kerk van het doodenveld omringd. Eenige dagen geleden wendde ik daarheen mijne stappen. ’t Was stormachtig weder.  Donkere wolken dreven laag door het zwerk voortgezweept door een nijdigen wind.  Vooraleer nog het kerkhof te betreden vond ik op het gaanpad en den steenweg talrijke weggeslingerde stukken van versplinsterde grafkruisen. In welken deerniswekkenden toestand werd de kerk gebracht. Van de toren blijft niets meer recht; men deed hem springen en slechts een ontzaggelijken hoop verwarde steenblokken wijst nog de plaats aan waar eertijds zijne spits hemelwaarts verhief. Van de kerk blijven hier en daar nog afgebrokkelde muren recht; de meeste pijlers werden stukgeslagen door het geweldig uitwerksel der zware obussen zoodat de gewelven instortten de kerkmeubelen verbrijzelend.  Talrijk treft men dan ook tusschen de puinen de beroeste scherven van de vreeselijke tuigen welke deze ontzettende verwoesting teweegbrachten. Met piepend of knarsende geluid slingert een stuk dakgoot of een ijzeren staaf heen en weder. Het eenige leven dat hier nog te bespeuren valt zijn de vrijmoedige musschen die rusteloos tjilpend her en derwaarts vliegen. Bezoeken we nu het kerkhof waar de kruisen schier verdwijnen onder het hoog opschietend gras en het wild groeiende onkruid nu daar de zorgzame hand van de grafmaker wordt gemist. Schier geen graf bleef ongeschonden. De kruisen werden verbrijzeld, de arduinen grafsteden stuk geslagen. Obusgaten te allen kant. Akelig schouwspel: op velerlei  plaatsen ziet men tusschen de vermolmde planken dooreengeslingerde doosbeenderen liggen. Het prachtig monument, in vorm van kapel, dat boven een grafkelder prijkte werd gansch vernield. De grafkelder ligt geopend  en is gedeeltelijk onder water. Twee kisten bevinden er zich in. Eene ervan is open en men ziet kruisgewijs geplaatste halfverteerde handen op ’t verkleurde doodsgewaad. Geheel ten einde het kerkhof stond een kruisbeeld. Zonderling toeval: het houten kruis bleef recht terwijl het Kristusbeeld, ofschoon schier ongeschonden, neerviel. Tegenover den voormaligen ingang der kerk is eene plek waar tal van officieren en soldaten begraven liggen. Daar rusten ze naast elkander de dapperen zooals ze naast elkander streden en onder het moordend vuur naast elkander gevallen zijn. Een gevoel van treurnis overvalt ons bij ’t aanschouwen van die puinen, van die geschonden graven. Onwillekeurig denkt men aan de ouders van de helden die hier voor eeuwig sluimeren en thans hunne dierbare dooden beweenen en men vervloekt de oorlog die zooveel puinen, zooveel ellende, zooveel smart teweegbrengt.