Tot op heden werden geen Duitse oormerken voor Belgische runderen gevonden in onze regio. De Duitse bezetter vaardigde op 15 augustus 1916 een verordening uit betreffende de monstering der voorhanden runderen en zwijnen. Het kwam er op neer dat ieder rund en zwijn een Duits oormerk moest krijgen. Iedere kommandantur moest ingedeeld worden in keuringsdistricten die een grootte hadden van 6.000 tot 8.000 runderen. De oormerken werden door de Etappen-intendantur ter beschikking gesteld. Het vee, dat ter keuring moest aangeboden worden, werd ingedeeld in 6 groepen: koeien, vaarzen, jong vee ouder dan 6 maanden, kalveren jonger dan 6 maanden, stieren meer dan 1,5 jaar oud en ossen. Alle gemonsterde runderen kregen een oormerk dat in ’t bovendeel van de rechter oorschelp geplaatst werd. Het oormerk werd zoodanig vast gemaakt dat het zooveel mogelijk overal vlak aanligt maar niet den rand van ’t oor en den rand der wonde drukt, ten einde ontstekingen en etteringen ter vermijden, waardoor het merk eruit kan vallen. Bij verlies van een oormerk dient aanstonds of uiterlijk binnen de 8 dagen de burgemeester in kennis gesteld te worden. Het merk bestond uit een volgnummer (registratienummer) en een Romeins cijfer dat de klasse aanduidde. Onderscheid werd gemaakt tussen fokvee, 3 klassen, aangeduid met letter ‘Z’ (Zuchttiere) en slachtvee (Schlachttiere), 5 klassen, aangeduid met letter ‘S’.

Z I: melkkoeien welke veel melk leveren / vaarzen en koeien onder de 5 jaren / stieren van 1,5 tot 3 jaar oud / uitstekend jong vee en kalveren

Z II: alle andere gezonde melkkoeien, vaarzen en stieren / uitstekende jonge runderen en kalveren / werkkoeien

Z III: alle beesten die voor de teelt nog bruikbaar zijn / trekossen

S I: te slachten binnen 1 maand

S II: te slachten binnen 1 à 2 maanden

S III: te slachten binnen 3 à 4 maanden

S IV: te slachten binnen 5 à 6 maanden of later

S V: onmiddellijk te slachten slecht ontwikkelde of zieke beesten

Volgens ruwe schattingen zouden zo’n 560.000 runderen opgevorderd zijn door de Duitsers. Voordeel van deze monstering was dat na de oorlog de door de Duitsers achtergelaten runderen konden teruggegeven worden aan de eigenaars. Na de oorlog eiste België slechts 92.000 runderen terug van het verslagen Duitsland!